Participatiewet

UITKERINGSBEDRAGEN PER 1 JANUARI 2018

Persbericht+uitkeringsbedragen+per+1+januari+2018+(2)

Overzicht vereenvoudigingen Participatiewet en Wet banenafspraak (geldend vanaf 1 januari 2017)

overzicht_vereenvoudigingen_participatiewet_en_wet_banenafspraak_december_2016_def

Wet Werk en Bijstand

Vanaf 1 januari 2015 wordt het huidige artikel 36 WWB gewijzigd door de Wet maatregelen WWB. Dit betekent dat de langdurigheidstoeslag wordt vervangen door de individuele inkomenstoeslag. De wetgever licht deze wijziging niet heel uitgebreid toe, terwijl er toch veel gaat veranderen, ook voor u als gemeente.

Op grond van het huidige artikel 36 WWB kent het college op aanvraag een langdurigheidtoeslag toe als de aanvrager:

  • een langdurig laag inkomen heeft; en
  • geen in aanmerking te nemen vermogen heeft; en
  • geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Voorwaarden individuele inkomenstoeslag

Na wijziging van artikel 36 WWB kan het college op verzoek een individuele inkomenstoeslag toekennen als de aanvrager:

  • een langdurig laag inkomen heeft; en
  • geen in aanmerking te nemen vermogen heeft; en
  • gelet op zijn omstandigheden geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.

Of de aanvrager geen uitzicht heeft op inkomensverbetering beoordeelt het college aan de hand van de individuele omstandigheden van het geval. Hierbij moet het college in ieder geval de krachten en bekwaamheden van de aanvrager betrekken en de inspanningen die de aanvrager heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Discretionaire bevoegdheid

Vanaf 1 januari 2015 wordt het toekennen van een individuele inkomenstoeslag een bevoegdheid. Dit is het gevolg van het woordje ‘kan’ in artikel 36 lid 1 Participatiewet. Dit betekent dat het college kan afzien van het toekennen van een individuele inkomenstoeslag, ook al voldoet de aanvrager wel aan de voorwaarden voor de toeslag.

De gemeente heeft niet de mogelijkheid om in beleid te bepalen dat nooit een individuele inkomenstoeslag wordt verstrekt. Dit blijkt uit de nadere regels die in de verordening moeten worden opgenomen met betrekking tot het verstrekken van individuele inkomenstoeslag. De gemeente kan wel besluiten om de wettelijke doelgroep in te perken door bijvoorbeeld een bepaalde groep (studenten) uit te sluiten.

Op verzoek van de aanvrager

In artikel 36 lid 1 Participatiewet is bepaald dat een individuele inkomenstoeslag ‘op verzoek van de aanvrager’ wordt verstrekt. Op dit moment wordt de langdurigheidstoeslag ‘op aanvraag’ verstrekt. Of de regering hiermee een inhoudelijke wijziging beoogt, is niet duidelijk. Deze wijziging wordt namelijk niet nader toegelicht in de parlementaire stukken. Het is dan ook de vraag of een verzoek zoals bedoeld in artikel 36 lid 1 Participatiewet, een aanvraag is in de zin van artikel 1:3 lid 3 Awb. De term ‘verzoek’ wordt niet nader toegelicht in de Awb. Wel wordt het begrip ‘aanvraag’ gedefinieerd: ‘een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen’ (artikel 1:3 lid 3 Awb). Een aanvraag moet in beginsel schriftelijk worden ingediend (artikel 4:1 Awb). Om procedures over niet schriftelijk ingediende verzoeken te voorkomen, raad ik u aan om in de verordening individuele inkomenstoeslag aandacht te besteden aan dit punt.

Inkomensgrens 110% vervalt

Het huidige artikel 36 lid 5 WWB (‘Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder laag inkomen niet verstaan in aanmerking te nemen inkomen hoger dan 110 procent van de op de desbetreffende alleenstaande of gezin van toepassing zijnde bijstandsnorm.’) komt niet terug in artikel 36 Participatiewet. De gemeenteraad mag dan ook in de verordening een inkomensgrens bepalen die hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Wel moet sprake zijn van inkomen dat redelijkerwijs als laag kan worden gezien.

 

Loonwaardebepaling helder én eenduidig door basissystematiek

Hoeveel verdient een werknemer die door een arbeidsbeperking een lagere productiviteit heeft? Voor het bepalen van deze loonwaarde bepleit de Landelijke Cliëntenraad (LCR) al jaren het gebruik van een eenduidige systematiek. Er is een belangrijke stap in de goede richting gezet. Het Arbeidsdeskundig Kennis Centrum (AKC) heeft een valideringsonderzoek bij drie bestaande methodieken gepresenteerd. Monique Klompé (voorzitter van de Nederlandse Vereniging Van Arbeidsdeskundigen) bood het eerste exemplaar aan LCR-voorzitter Gerrit van der Meer aan. Conclusie is: met een goede basissystematiek , leidt elke methodiek tot een eenduidige en bruikbare loonwaardebepaling.

Eerlijk inkomen 

Een goede methodiek voor loonwaardebepaling is van belang om ervoor te zorgen dat mensen een eerlijk inkomen kunnen verwerven. Dit is vooral van belang bij het bepalen van de hoogte van de loonkostensubsidie. Daarbij bieden werkgevers aan werknemers een marktconform loon, terwijl een werknemer mogelijk een lagere productiviteit haalt. Het verschil tussen de productiviteit van een andere werknemer en de werknemer met de beperking krijgt de werkgever via loonkostensubsidie terug. De werknemer krijgt een loon volgens de CAO en de werkgever weet dat hij betaalt voor wat er wordt geleverd.

Werkgevers

UWV hanteert voor Wajongers nog altijd het instrument loondispendatie. Zij maken ook gebruik van een methodiek voor de loonwaardebepaling. Gerrit van der Meer: bij de presentatie van het onderzoeksrapport: ‘Ik verwacht dat het draagvlak bij werkgevers (ook) groot is als er een betrouwbare en goed uit te leggen systematiek is om de loonwaarde te meten. Dat blijkt uit reacties van werkgevers. Hun bereidheid om mensen in dienst te nemen die echt niet in staat zijn om het wettelijk minimumloon (WML) te verdienen, neemt zo alleen maar toe.’

Cliëntenraden: wijs gemeenten op gevalideerde instrumenten

De LCR pleit ervoor en vraagt lokale cliëntenraden dit pleidooi over te nemen, zodat gemeenten bij de keuze voor een methode voor loonwaardebepaling kiezen uit instrumenten die gevalideerd zijn. Als de gemeente een nog niet gevalideerd systeem wil gebruiken, vraag dan om dit instrument te valideren. Het kan en mag niet zo zijn dat er nog met ongevalideerde instrumenten wordt gewerkt waardoor de loonwaardebepaling bij gebruik van verschillende instrumenten verschillende uitkomsten oplevert. De drie gevalideerde instrumenten zijn: Dariuz, de methode van UWV en VTA/DWI.

 

Participatiewet wordt een drama

Als de Eerste Kamer geen roet in het eten gooit – je weet maar nooit – is vanaf 1 januari 2015 in alle Nederlandse gemeenten de Participatiewet van kracht. Nu al valt te voorspellen dat die wet niet gaat doen waarvoor hij in het leven is geroepen. Waarom niet? Will Tinnemans legt in zijn nieuwe boek over kwetsbaren uit waarom.

Zes volle jaren heeft het geduurd, voordat de Wet werken naar vermogen, vermomd als Participatiewet, werkelijkheid werd. De wet moet de kansen op regulier werk vergroten voor bijstandsgerechtigden en arbeidsgehandicapten, zowel Wajongers als WSW’ers. Het is nebenbei meegenomen, zo doet staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Jetta Klijnsma ons geloven, dat de uitgaven voor die groepen de komende jaren 1,7 miljard euro minder stijgen dan bij ongewijzigd beleid het geval geweest zou zijn. Maar die bezuiniging is eigenlijk Hauptsache. Want de Participatiewet gaat bijstandsgerechtigden, arbeidsgehandicapten en laagopgeleiden helemaal geen betere positie op de arbeidsmarkt bezorgen. En wel om drie redenen.

Drie redenen waarom de wet niet gaat werken

1)      De arbeidsmarkt in het algemeen. De eerste versies van de wet zijn ontworpen in een tijd dat de commissie-Bakker ons voorhield dat de krapte op de arbeidsmarkt niet alleen een probleem was, maar ook een kans om ‘kwetsbare groepen beter te integreren in de Nederlandse samenleving’. Nederland telt inmiddels bijna 700.000 werklozen en de beroepsbevolking groeit de komende tien jaar met 620.000 personen als gevolg van de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 jaar.

2)      De arbeidsmarkt voor laagopgeleiden in het bijzonder. Veel werk in de dienstverlenende beroepen verdwijnt, door automatisering (transport en logistiek, productiewerk) en door bezuinigingen (zorg, zieken- en leerlingenvervoer, groenvoorziening). Nu al worden laagopgeleiden verdrongen door mensen met een middelbare of hogere opleiding die anders niet aan het werk komen.De komende jaren hengelen enkele honderdduizenden arbeidsgehandicapten en bijstandsgerechtigden onder de dreigende knoet van uitkeringsinstanties naar dezelfde, toch al schaarse banen voor laagopgeleiden.

3)      In het sociaal akkoord is afgesproken dat het bedrijfsleven tot 2026 100.000 en de overheid 25.000 banen voor arbeidsgehandicapten creëert. Als die banen er niet komen, krijgen werkgevers met meer dan 25 man personeel te maken met een quotumregeling, zo dreigt Jetta Klijnsma. Maar dat is vooral symboolpolitiek. Juist in regio’s met veel arbeidsgehandicapten – Noord-, Oost- en Zuid-Nederland – zijn weinig bedrijven met meer dan 25 werknemers. Er is bovendien sprake van ‘herschikking’, zo is gebleken in Oostenrijk, dat al langer een quotumregeling kent: bedrijven nemen vooral arbeidsgehandicapten aan die in kleinere bedrijven al bewezen hebben dat ze hun geld waard zijn. Per saldo ontstaat er dus geen enkele extra baan, terwijl het quotum wel gevuld wordt. Bovendien: door de vage definitie van ‘arbeidsgehandicapt’ zullen mensen die voorheen als regulier personeel in dienst waren als gehandicapt gelabeld worden. Een quotumregeling bergt altijd het gevaar in zich van stigmatisering (‘die werkt hier alleen omdat hij zo zielig is’) en de banen die arbeidsgehandicapten innemen, gaan op slot voor niet-gehandicapte laagopgeleiden. En dan hebben we het nog niet over de hoge administratieve kosten voor ondernemers, de uitgaven voor (her)keuringen en voor handhaving van het quotum. Er staan besparingen op uitkeringen en inkomsten uit boetes tegenover, ‘maar van de effectiviteit in termen van werkgelegenheid voor arbeidsgehandicapten mag niet te veel worden verwacht’, schreven de CPB-medewerkers Daniel van Vuuren en Krista Hoekstra in maart 2013.

De Participatiewet gaat schade veroorzaken

Je zou nog kunnen zeggen: baat het niet, dan schaadt het niet. Maar de wet gaat wel degelijk schade veroorzaken. Er is niet alleen sprake van verdringingseffecten, van mogelijke stigmatisering en van hoge kosten voor administratie en handhaving. Er kleven ook andere nadelen aan de Participatiewet:

a)      Schoffelen of creperen, luidt het adagium steeds vaker. De tegenprestatie voor een bijstandsuitkering en de druk op arbeidsgehandicapten om een reguliere baan te zoeken, werken op een extreem ruime arbeidsmarkt als een ongewenst-verklaring. Als het effect op de totale voorraad banen nul is, is niemand gebaat bij een substantiële groep mensen die door de overheid als lijntrekkende paria’s wordt weggezet. Het maatschappelijk klimaat zal harder en voor deze groepen nog onaangenamer worden.

b)      Bijstandsgerechtigden krijgen vaker met strafkortingen en andere sancties te maken. Wajongers die kunnen werken, zien hun uitkering verlaagd van 75 naar 70 procent van het minimumloon. Nieuwe arbeidsgehandicapten die in theorie kunnen werken maar geen baan vinden, komen in de bijstand (voor alleenstaanden 50 procent van het minimumloon). Die uitkering vervalt bij een te hoog vermogen of als iemand inwoont bij een partner of ouders met een uitkering of inkomen. Het kan niet anders of het aantal arme Nederlanders zal de komende jaren doorgroeien.

c)      Laagopgeleide werknemers hebben bij hoge werkloosheid te maken met verdringing door hogeropgeleiden. Hun positie op de arbeidsmarkt is al niet best. Ze werken vaak onder beroerde omstandigheden, op onaangename tijden, tegen laag loon en op tijdelijke contracten. Nu krijgen ze ook nog eens concurrentie van arbeidsgehandicapten en bijstandsgerechtigden, zowel door hun toestroom op de arbeidsmarkt als door het wegkapen van werkgelegenheid door uitkeringsgerechtigden die ‘als tegenprestatie’ of als reïntegratie verplicht werken met behoud van uitkering. De bepaling in de Wet werk en bijstand dat dergelijk werk niet mag leiden tot verdringing van regulier werk, blijkt nu in de praktijk al een wassen neus. Haagse Harry, een 53-jarige straatveger, is heus niet de enige die na drie jaar zijn oude baan terugkrijgt, maar nu moet ‘werken met behoud van uitkering’ voor een inkomen dat 400 euro per maand lager is.

d)      Gemeenten komen in zwaar weer terecht. Bij de decentralisatie van tal van taken in het sociale domein naar lokaal niveau wordt stevig gekort op de bijbehorende budgetten. Het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (Coelo) van de Rijksuniversiteit Groningen heeft berekend dat gemeenten bij ongewijzigd beleid in 2017 zes miljard euro te kort komen, waarvan bijna de helft wordt veroorzaakt door de taken in het sociale domein.De Participatiewet ‘wordt een financieel en sociaal drama’, zei PvdA-wethouder Klaas Steenhuis van Veendam op 14 januari 2014 in NRC Handelsblad. De financiële problemen van gemeenten, waarvan er veel al kampen met enorme verliezen op grondtransacties, zijn op termijn niet te overzien. Dat gaat waarschijnlijk leiden tot sterke verhogingen van de WOZ en drastische kortingen op zorg, welzijn, cultuur en sociale voorzieningen. En uiteindelijk zullen veel gemeenten volgens artikel 12 van de Gemeentewet een beroep op een extra uitkering uit het Gemeentefonds moeten doen, opgebracht door al die andere armlastige gemeenten. Tenzij de rijksoverheid in een eerder stadium bijspringt, maar dan is dat hele decentralisatiecircus een zotte vertoning geweest.

e)      Het vertrouwen in de politiek krijgt een flinke knauw. In het kabinet-Balkenende IV deed Jetta Klijnsma als staatssecretaris van SZW de eerste voorbereidingen voor de Wet werken naar vermogen. Tijdens Rutte-I voerde ze fel oppositie tegen de ‘verschrikkelijk draconische bezuinigingen’ en de plannen om de sociale werkplaatsen in een sterfhuisconstructie te laten doodbloeden. ‘Die beschermde werkplekken mogen we nooit afbreken’, zei ze.Als staatssecretaris van SZW in Rutte-II verdedigde ze diezelfde plannen met verve, inclusief de ‘verschrikkelijk draconische bezuinigingen’ en de sociale werkplaats als sterfhuis. Het is lastig weerwoord bieden aan kiezers die over haar zeggen: ‘Zoals de wind waait, waait haar jasje.’

De vraag is niet óf maar wannéér de Tweede Kamer begint met een parlementaire enquête naar de Participatiewet.

 

 

 

Kopzorg participatiewet

Afgelopen week heeft de Tweede Kamer de Participatiewet met een aantal belangrijke amendementen en moties aangenomen, waaronder de motie Voortman en Karabulat om de Participatiewet te toetsen aan het VN-Verdrag. Ook heeft de staatssecretaris belangrijke toezeggingen gedaan. Verwachting is dat de wet vlot door de Eerste Kamer zal komen. Ieder(in) is positief over een aantal verbeteringen. Desalniettemin blijft het een wet met kopzorgen.

Ieder(in) is positief over de verbeteringen voor de nieuwe jonggehandicapten die te maken gaan krijgen met de Participatiewet. Voor mensen met een medische urenbeperking loont werken in de bijstand en er komt een studieregeling. Opgeteld met het Akkoord van 3 februari brengt de Participatiewet op veel belangrijke punten verbetering (zie onderaan dit bericht). Ondanks dat maakt Ieder(in) zich grote zorgen over de gevolgen van de nieuwe wet.

125.000 banen
Grootste zorg blijft: gaan de 125.000 garantiebanen er wel komen? Hebben de gemeenten en het UWV voldoende geld beschikbaar om de noodzakelijke werkvoorzieningen, zoals de jobcoach, no-risk polis en werkplekaanpassingen te kunnen bieden? Is het voor werkgevers economisch haalbaar om banen te kunnen realiseren?

Oneerlijke concurrentie
Er zullen heel lastige keuzes gemaakt moeten worden over wie er wel en niet instromen in de garantiebanen. Het risico is groot dat er oneerlijke concurrentie optreedt tussen verschillende groepen: tussen Wajongers bij het UWV, mensen op de wachtlijst voor de SW bij gemeenten, oude en nieuwe groepen, Nuggers en arbeidsgehandicapten die binnen of buiten de groep voor de baangaranties vallen.

De eerste  jaren hebben de huidige Wajongers en de mensen op de wachtlijst SW voorrang voor de garantiebanen. Als zij een baan hebben, dan bespaart dat kosten op uitkeringen. Deze opbrengsten moeten ingezet worden voor andere groepen. Vooral vanuit de regio’s en landelijk vanuit Ieder(in) moet erop worden ingezet om alle groepen eerlijke kansen te bieden. Ook de Tweede Kamer blijft dit nauwgezet volgen.

Herkeuringen
Vanaf 2015 gaat het UWV alle Wajongers herbeoordelen op hun werkvermogen. Hoe de herbeoordeling gaat plaatsvinden, moet voor de zomer duidelijk zijn. Ieder(in) vindt dat alleen die mensen herbeoordeeld moeten worden als nu in hun dossier niet bekend is of ze wel of niet kunnen werken. Bovendien moet er een reële kans bestaan op een baan.

Als een Wajonger kan werken gaat de Wajonguitkering vanaf 1 januari 2018 omlaag van 75% naar 70% wettelijk minimumloon. Om inkomen te kunnen aanvullen is het vinden en behouden van een baan dus van groot belang.

Verbeteringen

Nadelige gevolgen van het Sociaal Akkoord gedeeltelijk hersteld
Vooral dat alle Wajongers bij het UWV blijven, ook wanneer zij na de herkeuring werkvermogen hebben, is winst. Ondanks dat er een verlaging van de uitkering voor hen inzit vanaf 2018 (van 75% naar 70% van minimumloon). Zonder de grote druk van vooral de Wajongers en arbeidsgehandicapten zelf en hun gezamenlijke belangenorganisaties was dit niet gelukt en zou ‘een enkeltje bijstand’ realiteit geworden zijn.

Studieregeling
Voor mensen met een arbeidsbeperking in de bijstand komt er een studieregeling. Gemeenten krijgen de mogelijkheid een individuele studietoeslag te verstrekken aan mensen van wie is vastgesteld dat ze niet in staat zijn het minimumloon te verdienen.
Voorwaarde is dat ze minimaal 18 jaar oud zijn, recht hebben op studiefinanciering of WTOS en geen vermogen hebben. Voor deze regeling wordt in 2015 € 6 miljoen beschikbaar gesteld, oplopend tot € 35 miljoen structureel.

Werk gaat ook lonen voor mensen met medische urenbeperking
Mensen die door een medische urenbeperking minder kunnen verdienen dan het bijstandsniveau krijgen een vrijlating van 15 procent van het zelf verdiende inkomen, met een maximum van € 124 per maand. Hiermee regelt de Kamer dat ook voor deze groep werken loont.

Motie samenhang en versterking medezeggenschap sociaal domein
Er is een motie aangenomen van D66 om de mogelijkheden te onderzoeken voor een integrale wet medezeggenschap.  Vraag is of de samenhang, integratie en wettelijke positie van de verschillende cliëntenraden in het brede sociale domein versterkt kan worden. (Wmo-raden, WWB raden, gecombineerde Participatieraden). Deze motie lag op de plank vanaf het Wwnv debat onder kabinet Rutte I.

Economisch zwakke regio’s
Staatssecretaris Klijnsma heeft toegezegd dat bij de verdeling van de financiële middelen voor gemeenten en de sociale werkvoorziening meer rekening wordt gehouden met het aantal arbeidsgehandicapten en de opnamecapaciteit van de regionale arbeidsmarkt.  Zonder aanpassingen komen de economisch zwakkere regio’s als Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Zuid-Limburg in zware financiële problemen. Het kabinet stelt geen extra geld beschikbaar maar gaat het geld anders verdelen.

Stuitende conclusie onderzoek: slechtere arbeidskansen door Participatiewet

Arbeidskansen van arbeidsgehandicapten verslechteren door de Participatiewet. Dat is de onthutsende conclusie uit het onderzoek van Regioplan ‘Gevolgen Participatiewet voor burgers’. De Landelijke Cliëntenraad heeft samen met Ieder(in) en het Landelijk Platform GGZ vandaag de onderzoeksresultaten gepresenteerd in perscentrum Nieuwspoort in Den Haag.

Mislukken

Om meer arbeidsgehandicapten aan het werk te krijgen, moeten de baangaranties van werkgevers hun werk gaan doen. Dit, zo stelt Regioplan na een grondige analyse, gaat zeer waarschijnlijk mislukken. Arbeidsgehandicapten hebben vaak voorzieningen nodig, zoals aanpassingen op de werkplek of een jobcoach. Gemeenten moeten deze kosten betalen en zitten al in de financiële problemen. De voorzieningen zijn duur. Sommige groepen arbeidsgehandicapten worden daardoor te duur. De kans is groot dat de gemeente liever geld steekt in groepen die uiteindelijk geld opleveren.

Buiten de boot

Juist mensen die een beschutte werkplek (vaak werkzoekenden met een verstandelijke of psychische beperking) nodig hebben, degenen die niet meer dan 50% kunnen werken en arbeidsgehandicapten die samenwonen of bij ouders inwonen omdat ze veel zorg nodig hebben, vallen buiten de boot.Daar komt bij dat een groot deel van de arbeidsgehandicapten niet valt onder de definitie voor de baangaranties. Dat zijn mensen die het minimumloon kunnen verdienen, maar wél een arbeidsbeperking hebben.

Oplossing

Er is wel een oplossing. De LCR heeft al vaker benadrukt dat goede begeleiding en ondersteuning essentieel is. De Participatiewet moet daarvoor worden aangepast, zodat werkzoekenden daar aanspraak op kunnen maken.

 

Column LCR-voorzitter Gerrit van der Meer:

Participatiesamenleving

Gerrit van der Meer, voorzitter van de Landelijke Cliëntenraad, schrijft elke maand een column waarin hij reflecteert op actuele gebeurtenissen. Dit keer belicht hij de participatiesamenleving. Een mooi begrip dat van dit kabinet een negatieve lading meekrijgt.

De term is nog vers, maar toch al weer besmet. Sinds Koning Willem Alexander in de Troonrede sprak over de participatiesamenleving heeft het kabinet al zoveel kritiek op dat woord ontvangen, dat je nu al ziet dat sommige politici het moeilijk over de lippen krijgen. Hoe zou dat toch komen? Het antwoord is simpel. Het kabinet maakt namelijk niet waar wat de term suggereert. Bij een participatiesamenleving denk ik aan een samenleving waarin iedereen mag meedoen en iedereen erbij hoort. Heel dicht bij die andere term dus, die ik echt mooi vind, de inclusieve samenleving. Helaas geeft het kabinet aan participatiesamenleving een andere definitie: een samenleving die minder geld wil besteden aan de ondersteuning van mensen die het (tijdelijk) moeilijk hebben of alleen maar gedeeltelijk in hun inkomen kunnen voorzien. Het woord participatiesamenleving als dekmantel voor bezuinigingen dus.

Het kabinet gebruikt het woord participatiesamenleving veelvuldig gebruikt om argumenten te vinden voor de zogenoemde omslag. De overheid – “vadertje staat” – zorgt niet meer van de wieg tot het graf voor iedereen. Burgers zijn zelf verantwoordelijk. Ze moeten dus ook zelfredzaam zijn, uitgaan van hun eigen kracht en de kracht van hun sociale netwerk. Dat betekent dat niet iedereen mag meedoen, maar dat iedereen moet meedoen. De Memorie van Toelichting bij nieuwe wet ‘Maatregelen Wwb’ staat vol met dit soort argumenten en opmerkingen. En, zo betoogt het kabinet, de nieuwe Wet werk en bijstand is zo activerend dat die zelfredzaamheid ook echt wordt versterkt.

Op 28 november hield de Tweede Kamer een ronde tafelgesprek over de maatregelen Wwb. Van de achttien sprekers was ik de eerste; lastig omdat ik niet kon ingaan op wat anderen hadden gezegd. Ik heb gewezen op de vreemde tegenstelling in deze wet. Zeggen dat mensen zelf verantwoordelijk zijn, maar regelen dat bijstandsgerechtigden vooral heel veel verplichtingen krijgen opgelegd. Zeggen dat mensen zelfredzaam moeten zijn, maar zulke zware strafmaatregelen opleggen, dat er van die zelfredzaamheid helemaal niets overblijft.

Stel je voor: je hebt tijdens je opvoeding weinig geleerd over de juiste kleding voor elke gelegenheid. Je gaat – onschuldig of onverschillig – in ‘foute’ kleding naar een sollicitatiegesprek. Niet handig natuurlijk en ook niet slim. Deze ‘fout’ is in de wet benoemd tot een grond om je drie maanden (!) uit te sluiten van een uitkering.

Daar sta je dan: drie maanden een inkomen van nul. Je schaamt je rot, want hoe je je moet schamen, dàt heb je wel geleerd. Dus je vermijdt contact met anderen. Je meldt je min of meer stiekem bij de Voedselbank. Je hebt slapeloze nachten en al na een paar dagen of weken zie je absoluut geen uitweg meer. Op de één of ander manier zing je de drie maanden toch uit, maar dan heb je intussen echt wel het stadium van de wanhoop bereikt. Je hebt drie maanden huurachterstand en je woningcorporatie dreigt met uitzetting. Je moet drie maanden gas- water en licht nabetalen, maar waarvan? Dat vertelt niemand je. Je hebt al een aanmaning van je zorgverzekeraar liggen, dus het kan zo maar zijn dat vandaag of morgen de deurwaarder aanbelt. Maar gelukkig, de drie maanden zijn om en je mag dus weer naar de sociale dienst. En daarna mag je weer bouwen op je eigen kracht. Mag je zelfredzaam zijn in het vinden van betaald werk. Het kan trouwens nog wel jaren duren voordat  je het je kunt veroorloven om voor een sollicitatiegesprek de gepaste kleding aan te schaffen.

Het kan nog wel eens veel langer duren voor je de moed kunt opbrengen om aan die aardige man bij de sociale dienst uit te leggen wat jíj nu eigenlijk wilt, wat jíj belangrijk vindt en wat jíj graag voor werk zou willen doen. Stel je voor dat je iets zegt wat hem niet zint. Zit je dan weer drie maanden zonder enige vorm van inkomen? Dat wil je niet nog eens meemaken, dus je kijkt wel uit en je doet voortaan alles wat hij zegt.

Heb ik een overdreven situatie geschetst? Als ik politici hoor uitleggen wat ze met de participatiesamenleving bedoelen, lijkt dat er wel op. Als ik de wetsteksten lees – er staan echt elf gronden in voor die zwaarste strafmaatregel – komt de geschetste situatie akelig dicht bij de werkelijkheid. En ik heb intussen aardig wat op die wet zitten studeren. Trouwens, mensen die er veel meer verstand van hebben dan ik, weten ook niet goed waar nu de grens tussen die tegenstellingen in de wet ligt. Misschien is dat nog wel de grootste tegenstelling. We snappen het zelf niet, maar verwachten van (vaak laag opgeleide) uitkeringsgerechtigden dat ze het wel snappen. Dat ze niet alleen begrijpen dat ze werk moeten gaan zoeken, maar dat ze ook snappen hoe ze dat moeten doen. Dat ze weten welke rechten en plichten ze daarbij hebben. Hoe ze kunnen voorkomen dat ze het fout doen en dus een straf opgelegd krijgen. Snapt u het nog? Ik niet meer. Gerrit van der Meer.

De maatregelen:

1. door de kostendelersnorm hierdoor zal de bijstandsnorm per persoon lager zijn naarmate meer meerderjarige personen in de woning aanwezig zijn en zij ook met meer personen de kosten kunnen delen. Deze kostendelersnorm gaat, behalve in de bijstand, ook gelden in de AOW, Anw, IOAW, IOAZ en Toeslagenwet. De invoering betekent dat honderdduizend uitkeringsgerechtigden er honderden euro’s op achteruit zullen gaan.
Zo zullen bijvoorbeeld inwonende kinderen die voor hun ouders zorgen straks financieel gestraft worden voor die hulp.

2. Iedereen die een bijstandsuitkering aanvraagt, moet aantonen dat hij in de voorafgaande vier weken er alles aan heeft gedaan om werk te vinden. Wanneer deze zoektocht onvoldoende wordt aangetoond wordt het recht op een uitkering verloren.

3. Verplicht invoeren van een tegenprestatie voor alle bijstandsgerechtigden in alle gemeenten. De gemeenteraad wordt verplicht om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot de plicht tot tegenprestatie.

4. Wie zich naar het oordeel van de klantmanager niet gedraagt of slordig gekleed is, krijgt maximaal drie maanden geen uitkering meer.

5. Wanneer een belanghebbende zich misdraagt tegen medewerkers die de sociale zekerheidswetten uitvoeren, kan de gemeente of het UWV/SVB een uitkering voor maximaal drie maanden stopzetten.

6. Op het naar het oordeel van de uitkeringsinstantie niet voldoen aan de informatieplicht staat te beoordelen door gemeenten maximaal drie maanden inhouding van de uitkering.

7. Er komt ook een verhuisplicht. Wie in een andere gemeente werk kan vinden, moet bereid zijn drie uur te reizen of te verhuizen.